Informatie - Geschiedenis VORIG MENU 

In de tijd dat de mensen nog nomaden waren, sloegen ze hun kampen op bij de Vecht. Bij Dalfsen en Marienberg zijn veel vuurstenen voorwerpen en andere resten uit de middensteentijd gevonden (9000-5300 v.C.). De eerste landbouwers vestigden zich zo'n 5000 jaar geleden op de hoger gelegen delen in het landschap. Vooral de hoger gelegen oevers langs de IJssel en de Vecht vormden een aantrekkelijke vestigingsplaats. De rivier leverde het noodzakelijke drinkwater en vormde bovendien een prima transportroute.

Om land geschikt te maken voor de landbouw moesten de eerste landbouwers grote stukken bos omkappen. De gekapte bomen dienden als brand- en bouwhout. Wanneer de grond na verloop van tijd was uitgeput, kapte men een nieuw stuk bos. Op de verlaten landbouwgronden ontstonden vervolgens de eerste heidevelden. Deze breidden zich zo uit dat Salland op een gegeven moment bijna geheel was bedekt met heidevelden. De meeste heidegronden zijn inmiddels weer in bos veranderd of ontgonnen als landbouwgrond. De enkele velden die overbleven, werden veelal natuurreservaten om zo nog een oud stukje landschap te behouden. Voorbeelden zijn het Beerzerveld bij Ommen, het Boetelerveld bij Raalte en verschillende terreinen in de staatsboswachterij De Sallandse Heuvelrug.

De landbouwgemeenschap
In de Romeinse tijd en de daarop volgende eeuwen bleef landbouw de belangrijkste bestaanswijze. Wel werd in de Frankische tijd (achtste eeuw) het 'hofstelsel' geïntroduceerd: de bevolking moest voortaan in natura belasting betalen. Omstreeks het jaar 1000 begon de bevolking te groeien en nam de agrarische productie toe. In de eeuwen daarna ontstond het typische landbouwsysteem met essen en heidevelden. Op de zandgronden van het middeleeuwse Salland was de buurschap de kleinste zelfstandige rechtskring. Deze agrarische samenleving was georganiseerd rond de es (enk). Het was een sterk sociale eenheid waarin het verplicht was elkaar in alles bij te staan, dus ook op het land. De es was het gemeenschappelijke bouwland dat door de buurschap werd gebruikt. Er waren verschillende soorten gebruikers: zelfstandige boeren, horigen en pachters. De horige was in dienst van een landheer die een havezate of kasteel bewoonde. De pachter was ook ondergeschikt aan de grondeigenaar maar wel in een wat zakelijker relatie. Hij betaalde meestal in natura, elk vierde deel bijvoorbeeld. Zowel de horige als de pachter was onderworpen aan de zogeheten herendiensten. Dat wil zeggen dat zij moesten opdraven als er voor de landheer werk te doen was.

Grootgrondbezitters
Omstreeks 1500 waren de meeste landerijen in Salland in het bezit van de adel. Maar ook de kerken en kloosters uit de IJsselsteden bezaten verschillende landerijen en hofsteden op het platteland. Zo ook de gasthuizen en de weeshuizen in Deventer die het meeste bezit hadden verkregen als legaat. Een andere belangrijke groep grootgrondbezitters waren de rijke burgers uit Deventer en Zwolle. Het aantal boeren met een eigen bedrijf was maar klein.

De marke
Om de es heen lagen de gezamenlijke heide-, bos-, veen- en weidegronden, de zogenoemde woeste gronden. Het geheel van es en woeste gronden werd 'de marke' genoemd. Jaarlijks hielden de markengenoten een vergadering, 'de holtsproake', waar men geschillen besprak en gedragsregels vaststelde. Ook waakte de marke ervoor dat de omliggende woeste gronden niet te massaal werden ontgonnen. Ook op het hout moest men zuinig zijn. De houtvoorraad was zo'n belangrijk punt van de vergadering, dat men die 'holtsproake' ging noemen. Ook in de IJsselstreek was sprake van een markensysteem. Hier had men echter geen gezamenlijke gronden zoals bos en heide. Ook was er geen hout in de vorm van bossen en dus geen 'holtsproake'. Voor de markengenoten in de lage weidegebieden was water het grote probleem en in feite opereerden de marken er als de eerste waterschappen.

Kotters
Het markensysteem was vaak te klein om alle kinderen later van een stukje grond te voorzien. Degene die niet op vaders land een hutje kon bouwen, zocht elders het geluk. Zo kwamen er dus vreemdelingen het markensysteem binnen. Al die nieuwelingen werden kotters genoemd. De erfkotters vestigden zich met toestemming op het erf van een boer. De markenkotters vestigden zich met toestemming elders in de marke. De rest van de kotters was illegaal. Tegen de illegale vestigingen trad men regelmatig op, maar meestal werden die kotters gedoogd. De uiteindelijk geaccepteerde kotters, die in aantal fors groeiden, hadden geen land op de es en maar een beperkt gebruiksrecht van de woeste gronden. Zij omringden hun akkers met houtwallen en het gebeurde regelmatig dat zij die stiekem verlegden. Door dit systematisch verleggen van de wallen werd hun grondgebied soms nog groter dan dat van de oorspronkelijke gebruikers.

Kolonisten
Toen in deze eeuw de kunstmest op de markt kwam, werden vele woeste gronden ontgonnen en vruchtbaar gemaakt. Het overvloedige aanbod van nieuwe gronden trok boerenzoons van elders aan, onder andere uit Groningen, Friesland en de Achterhoek. Zij vestigden zich in plaatsen als Lemelerveld, Heino, Nieuw-Heeten en Raalte. De landbouw ontwikkelde zich snel van zelf'voorziening tot grootschaliger productie voor de handel. Zo kwam er in Raalte een varkens- en bottermarkt op gang. Ook werd er jaarlijks een grote rundveedag georganiseerd. Deze ontwikkelingen vormden de overgang van het 'markensysteem' naar het 'marktsysteem'.

Cultuurlandschap
De opeenvolgende vormen van agrarische bedrijfsvoering hebben duidelijk hun sporen in het landschap nagelaten. De oude boerderijen uit het heidetijdperk staan soms nog te midden van oude essen. De ontginningswoede van het begin van deze eeuw liet tamelijk strakke boerderijen na, in een grootschalig verkaveld landschap met rechte wegen. Op de akkerbouwbedrijven van dat ontginningslandschap werden vooral haver en rogge verbouwd. Die akkers hebben inmiddels plaatsgemaakt voor groene weilanden en maïsvelden, die het voer moeten leveren voor de intensieve veehouderij. Het gras werd vroeger ingekuild, maar tegenwoordig wordt het steeds vaker verpakt in grote plastic rollen, die in een hoek van een weiland of een boerenerf liggen, weer een nieuwkomer in het agrarische landschap. Het gemengde bedrijf, met akkerbouw en veeteelt, is vrijwel verdwenen. Overijssel is een minstens even grote melkleverancier geworden als Friesland.

Havezate
Veel Sallandse edelen bezaten naast hun huis in de stad, ook een buitenplaats op het platteland. In veel gevallen had die buitenplaats de status van havezate, dat wil zeggen dat de betrokken bewoner het recht bezat om zitting te nemen in de Staten van Overijssel, tot 1795 het hoogste bestuursorgaan van de provincie. Door de eeuwen heen was Salland hier het invloedrijkste gewest. De Sallandse steden Deventer en Zwolle hadden ieder een eigen zetel, maar ook de Sallandse adel was als aparte groep vertegenwoordigd. De drost van Salland, die werd gekozen uit de Sallandse adel, bekleedde het voorzitterschap van de statenvergadering.

In de periode dat de adel op het hoogtepunt van zijn macht was, zo tussen 1600 en 1800, waren er in Salland ongeveer zeventig havezates.